dinsdag 10 december 2002

Paradise lost 


“Oostenwind” is de naam van de tweede Culturele Zondag van dit jaar in Utrecht. Alsof de duvel er mee speelt wordt de Domstad deze dag gegeseld door windstoten. De Culturele Zondag staat in het teken van muziek, theater, film en dans uit Midden en Oost-Europa en sluit aan bij het festival Paradise lost? in de stadschouwburg.

De stormachtige wind voert me allereerst naar het bescheiden kroegje Averechts, gelegen in de Vogelenbuurt. Het café vormt regelmatig het decor voor literaire lezingen en poëzievoordrachten. Deze middag staat echter in het teken van de Balkanmuziek. De vrolijke opzwepende klanken van het Trio Moldavia komen me tegemoet als ik de deur open van de kroeg. Het is druk. Zo druk zelfs dat ik maar amper binnen geraak en noodgedwongen vanachter rode gordijntjes bij de ingang het muzikale gebeuren gadesla en beluister.

De gordijnen benemen me veel van het zicht op het Roemeense drietal op het podium. Wel kan ik zien dat Trio Moldavia bestaat uit een violist, een accordeonist en een cimbalist. Dat laatste verneem ik van mijn buurman die beter geïnformeerd is over exotische muziekinstrumenten dan ik. De cimbaal is een Hongaars instrument, bestaande uit snaren gespannen over een horizontaal klankbord die met hamertjes worden bespeeld, zo lees ik later thuis in de Kleine Winkler Prins. De muziek van het trio is afwisselend opzwepend, razendsnel èn melancholisch, langzaam. De stijl houdt het midden tussen Russische polka en zigeunermuziek.

Door de openingen van het gordijn kijkend, probeer ik een beeld te krijgen van de bezoekers op dit vroege tijdstip. Veel van de aanwezigen lijken niet echt warm te worden van de Roemeense muziek, want ze houden hun jas aan. Er wordt volop thee en koffie geschonken. Een enkeling waagt zich aan een glas rode wijn. Achter in het café staat, geleund tegen de muur, een vrouw die telkens wanneer het trio een gevoelige passage speelt even haar ogen sluit. Ze is niet alleen fysiek ver van me verwijderd. Waar zou ze met haar gedachten zijn?

Naast mij staat een Oost-Europees ogende man met een getekend en doorgroefd gelaat. Hij kijkt wat schuchter. Wel geniet hij zichtbaar van de klanken die het Utrechtse dranklokaal Oost-Europees kleuren. Ook lijkt hij de muziek te begrijpen.

Tot mijn vreugde kom ik tot de ontdekking dat het gezichtsbelemmerende gordijntje gewoon open kan. Dit tot grote hilariteit van enkele bezoekers die bij me in de buurt staan. Wanneer even later de pauze is aangebroken verlaat ik het Trio Moldavia. De mensen die buiten voor de deur staan te wachten tot ze naar binnen kunnen, kijken me opgelucht aan.

De oostenwind waait me naar het volgende optreden. In Theater Kikker, vlakbij het stadhuis, speelt de Amsterdam Klezmer Band. Ook hier word ik in eerste instantie gedwongen van grote afstand toe te kijken. Het lukt me uiteindelijk toch een plaatsje te vinden op de trap naast de zitplaatsen. Op het podium staan zes erg Nederlands uitziende jongens. Ze bespelen de contrabas, accordeon, schuiftrompet, tenorsaxofoon, klarinet en trompet.

De kalende zanger met korte beentjes blijkt over een onvervalst Amsterdams accent te beschikken. De sporadische teksten zijn ook overwegend Nederlands met hier en daar een van oorsprong joods woord als gabber, koosjer en jatten. De muziek klinkt zoals Klezmer moet klinken: aanstekelijk, opzwepend, lyrisch maar ook: melancholisch, onbestemd en intens treurig.

Toch blijf ik vooral zes Nederlandse mannen zien die stroeve, houterige danspasjes ten tonele voeren die onbedoeld op de lachspieren werken. Het zondagmiddagpubliek reageert aanvankelijk dan ook wat aarzelend. De zanger probeert van alles: “Kunnen die stoelen niet weg?” En: “Eigenlijk maken we bruiloftsmuziek, laten we er een bruiloft van maken!”.

Een groepje vrouwen van middelbare leeftijd naast mij is helemaal vanuit Ermelo naar Utrecht gekomen, zo hoor ik. Ze zijn keurig gecoiffeerd en genieten zichtbaar van het dagje uit. Ik hoor ze bijna denken: “Dit soort muziek wordt in Nederland toch niet gemaakt. Dit is toch echt heel anders.” Voor mij op de trap zit een vrouw met halflang sluik haar en een bril met dikke glazen. Af en toe wiegt ze met haar hoofd op de muziek. Haar schouders bewegen schoorvoetend mee. Een vrouw naast haar klapt enthousiast mee en kijkt vrolijk om zich heen. Ze klapt niet in de maat.

Tijdens een opgewekt nummer rent een meisje langs me heen naar beneden. Daar voegt ze zich al dansend bij een jongen die al een hele poos in zijn eentje allerlei rare bewegingen maakt. Het volgende lied loopt over van de mooie melancholie en wordt gespeeld door de klarinettist en accordeonist. De overige bandleden zitten op de achtergrond en kijken droevig voor zich uit. De zanger kondigde het nummer al aan met “een minder grappig nummer over een berg die je moet beklimmen als je in de Amsterdam Klezmer Band speelt.”

Verrassend in het repertoire is een ska-nummer met Jamaicaanse invloeden. De verlegen trompettist is nu aan de beurt voor een klaaglijke solo in het middenstuk. Na afloop maakt hij een lichte, bescheiden buiging. “Vertellen jullie eens een verhaal”, roept de zanger tegen het publiek. “Wij komen om vermaakt te worden”, roept iemand vanuit de zaal. Zo is het. Kurt Cobain zei het al.

Het slotakkoord wordt ingezet. Nog eenmaal dromen ze weg: de keurige vrouwtjes uit Ermelo, de zachtjes meewiegende vrouw met de dikke brillenglazen en de uit de maat klappende vrouw. En dat bij de intense, schilderachtige klanken van de Klezmer, gespeeld door zes erg Nederlandse jongens.   


Geen opmerkingen:

Een reactie posten