Dead Brothers
De magie van muziek. Gisteren zag ik een optreden van de Zwitserse band The Dead Brothers in Moira. In het land van herkomst schijnt de vijfkoppige formatie een begrip te zijn.
Ik had echter nog nooit iets van ze gehoord totdat in op de lokale radio een nummer van ze hoorde. Een soort hoempapa-rockabilly. Een artikel in het Utrechts Nieuwsblad deed de rest. Die band moest ik zien. Dat werd dus gisteravond, voor circa 45 mensen in de Moira, een popzaaltje in Utrecht met voornamelijk alternatieve pop op het programma.
Bij het eerste nummer van ene optreden hoor je vaak al af of het een goed of slecht concert wordt. En vanaf de eerste tonen was het raak. Een minutenlang monotoon, onheilspellend riedeltje van de gitarist was de inleiding voor een van de meest bizarre en fascinerende live-optredens die ik ooit zag. Een tuba, een banjo, een schuiftrompet, een accordeon, een paar trommels en een uiterst curieuze, charismatische en op het oog beschonken dan wel krankzinnige voorman met een priemende blik die uiterlijk verdacht veel weg had van Jerry Kosinski, de Poolse schrijver van o.a. Being There.
De muziek van The Dead Brothers rammelt, klettert, piept, kraakt, boemelt en puft in een tempo dat we kennen van Tom Waits. Titels als The angel of Death, Tod van Basel en St. James Infirmary Blues zeggen alles over de inhoudelijke intenties van de band. In het Frans, Engels, Spaans en Duits. Ketelblues, jazz, hoempapa, Franse chansons, cajun, Duitse polka, lullige country, avantgarde, ze combineren het schijnbaar achteloos.
Hilarisch was het moment dat de zanger met megafoon de zaal in rende, zich een weg baande door het publiek, een gammel houten trapje opstormde en boven op de balustrade als een idioot allerlei onverstaanbare teksten uitkraamde, een paar keer op en neer sprintte, ten val kwam en vervolgens door de banjospeler met klappertjespistool wordt achtervolgd en “omgelegd”. In Zwitserland schijnen ze regelmatig te worden gevraagd voor theaterprojecten, begrijpelijk.
De muziek van The Dead Brothers rammelt, klettert, piept, kraakt, boemelt en puft in een tempo dat we kennen van Tom Waits. Titels als The angel of Death, Tod van Basel en St. James Infirmary Blues zeggen alles over de inhoudelijke intenties van de band. In het Frans, Engels, Spaans en Duits. Ketelblues, jazz, hoempapa, Franse chansons, cajun, Duitse polka, lullige country, avantgarde, ze combineren het schijnbaar achteloos.
Hilarisch was het moment dat de zanger met megafoon de zaal in rende, zich een weg baande door het publiek, een gammel houten trapje opstormde en boven op de balustrade als een idioot allerlei onverstaanbare teksten uitkraamde, een paar keer op en neer sprintte, ten val kwam en vervolgens door de banjospeler met klappertjespistool wordt achtervolgd en “omgelegd”. In Zwitserland schijnen ze regelmatig te worden gevraagd voor theaterprojecten, begrijpelijk.
Ze hebben iets met de dood, The Dead Brothers, dat mag duidelijk zijn. In het zwart gekleed, zwarte hoge hoeden op, doodse blik in de ogen, vijf kraaien die de wacht houden bij een begrafenis. Het einde van het optreden was in stijl. Als volleerde doodgravers paradeerden ze statig over de houten vloer door het publiek, onderwijl onversterkt een van de mooiste doodsliederen te spelen die ik ooit hoorde: Entre chien et loup. Prachtig.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten